Vrijdag de 13de, gedonder in de glazen

Ik had al een tijdje het plan opgevat om weer eens een dagje in Keulen rond te hangen. Er zitten goeie herinneringen aan Keulen in mijn hoofd. Ik heb er een paar keer gespeeld met de Skuobhie Dubh Orchestra, rond de Dom. Met mijn ma naar het Romeins – Germaans Museum, de Dom en een chocoladefabriekje, dat was ook geweldig leuk. Nu dus een dagje naar Keulen om wat halve liter Franziskaner bierglazen te halen. Mooi bier hoort in een mooi origineel bierglas. 

franziskaner-weissbier-naturtruebThuis op zoek naar een Park + Ride buiten Keulen omdat ik gelezen had dat je de stad alleen maar in mag met een milieusticker achter de voorruit. Een mooie plek gevonden, je hoeft alleen maar je kaartje te laten zien bij het uitrijden van de parkeergarage en je kan de hele dag gratis je auto laten staan. Net voordat ik de parkeergarage nader zie ik het bord. Alleen toegang met de milieusticker. Het is vrijdag de dertiende, dus direct visioenen van een groenwitte politieauto met twee groenwitte dienders die mij aanhouden.

In Stuttgart al eens aangehouden vanwege mijn Nederlandse kentekenplaat, dat zeiden ze ook gewoon toen ik vroeg naar de reden van mijn aanhouding. Met die ervaring dacht ik gelijk aan aanhouding en op z’n minst een geweldig hoge boete vanwege het ontbrekende milieustickertje. Het is tenslotte vrijdag de dertiende. Maar op slinkse wijze onder de radar gedoken en fluks mijn auto de parkeergarage ingereden. Niks aan het handje, we zijn illegaal op de plaats van bestemming geraakt.

Mijn ervaring met het Duitse openbaar vervoer is goed. Prima handleidingen, en je komt altijd waar je zijn moet. Dit keer bleek de kaartjesautomaat mijn betaalpas niet te accepteren. Of het ding was gewoon kapot. Dus kijken of de conducteur kaartjes verkoopt op de U-Bahn. Neen, in het voertuig hing eenzelfde automaat. Ook hier geen succes met mijn betaalpas. Natuurlijk niet genoeg kleingeld voor een kaartje voor twee personen. Het is tenslotte vrijdag de dertiende. Eén van ons moet zwartrijden, ik offer me op.

Visioenen van arrestatieteams die de tram bestormen op zoek naar zwartrijders, en ja ik had geen kaartje vanwege het tekort aan muntgeld. Voor je het weet sta je aan Derrick, Der Alte, Tatort, Kommisar Rex en Tampert ‘ins buro’ uit te leggen waarom je zwartrijdt en zit je de eerste zes uur zonder veters in je schoenen en zonder riem in je broek, alsof je Andreas Baader zelf bent, ‘im einzelhaft’. Het is tenslotte vrijdag de dertiende.

Maar gelukkig geen kaartjesknipper gezien. Op station Neumarkt de U-Bahntram uit om geld te wisselen zodat we alsnog legaal kunnen reizen. De koffie bleek zo goor, ik neem aan dat die op zaterdag de veertiende veel beter smaakt. Gewoon pech dat mevrouw zo’n slecht bakkie gezet had deze dag. Met genoeg wisselgeld en een bak slootwaterpleur een kaartje gekocht om legaal naar het Keulse Haubtbahnhof te rijden. De hartslag is weer terug naar de normale slag.

Nu op zoek naar een winkel waar ze de gezochte bierglazen verkopen. In een Duits Kaufhaus verkopen ze alles, dat weet een kind. Dus ook de door mij felbegeerde bierglazen voor de halve liters Franziskaner witbiertjes. En zodra je de food-afdeling binnenloopt weet je dat je goed zit. Ze hebben alleen al vijftig soorten brie en camembert, dan nog de honderden andere kazen. De geur op de kaasafdeling is overweldigend. Dan langs de slager waar ook alleen van het rondkijken het water je uit de mond loopt. Het aanbod is enorm. Dan kom je vanzelf langs de wijnafdeling. Nog nooit zoveel wijn, champagne, port, en andere druivensap op één plek gezien, in alle soorten en maten. Dus dat van die glazen komt wel goed.

Ja, daar in de verte zie ik glazen. Mooi, mijn queeste komt tot een einde. Daar staan ze. Ik zie de Erdinger Weissbier glazen al staan, naast een leeg schap. Nee toch? Nog een keer op het kaartje lezen. ‘Franziskaner 0.5l”, nee toch? Ik vraag aan dienstdoende glazenverkoopster in mijn beste Duits of ze nog Franziskaner bierglazen hebben. “Nee, maar die komen binnenkort weer”, antwoordt ze geruststellend in haar beste Duits. Is het toch nog een echte vrijdag de dertiende geworden.

 

 

Een erfenis die niemand wil

Na het zien van de aangrijpende documentaire ‘Zolang ik leef’ over Neil Platt, een ALS-patiënt die het einde van zijn leven beschrijft in een blog, komt er bij mij als zoon van een ALS-patiënt toch de volgende vraag bovendrijven: “Is het erfelijk?” Ik heb het me uiteraard vaker afgevraagd maar nu ik de kritische leeftijd steeds dichter nader wordt het misschien toch eens tijd om de huisarts te raadplegen.

Graf Pa.De ziekte ALS openbaart zich over het algemeen rond het 54ste levensjaar, bij de één begint het bij dertig jaar en bij anderen als ze tachtig zijn, maar over het algemeen dus bij vijftigers. Mijn vader was 51 jaar toen de diagnose ALS gesteld werd, en hij was 52 jaar toen hij op 20 november 1989 overleed. We hadden nog nooit van ALS gehoord, en geen idee wat het betekende. De artsen van het Leidse ziekenhuis hebben ons nooit ingelicht wat de ziekte inhield en mijn vader heeft nooit gedeeld wat de consequentie van zijn ziekte was. Achteraf te gruwelijk om het te delen blijkbaar. Maar hij wist het natuurlijk wel.

Zo heb ik dus ook nooit te horen gekregen van de artsen of van mijn vader of de ziekte ALS erfelijk is. Het lijkt mij een essentiële wetenschap. Gelukkig ben ik nieuwsgierig en heb ik sinds de komst van het internet wat kennis vergaard over ALS, maar dan heb je wel kennis maar dan weet je nog niets. Ik weet nu dat er twee soorten ALS zijn; de sporadische of niet-familiale vorm genaamd sALS en de erfelijke familiale vorm fALS. Bij de laatste vorm is er dus een afwijking in het erfelijke factor, het gen. Die mutatie veroorzaakt dan fALS.

Is het omdat men in 1988, toen bij pa de diagnose gesteld werd, die kennis nog niet had of wisten de artsen het toentertijd wel? Hebben ze aan mijn vader verteld of de ALS waar hij aan leed de erfelijke vorm betreft? Gingen artsen er gemakshalve van uit dat mijn pa het wel aan mij zou vertellen? Hoe het ook zij, mij is het nooit verteld. Niet door artsen, niet door mijn pa. Ook als het geen erfelijke vorm betreft zou ik het graag geweten hebben.

Het is daarom niet verwonderlijk dat toen verteld werd dat bij één van mijn collega’s ALS geconstateerd was, het mij zo enorm aangreep. Niet alleen vanwege zijn situatie maar ook omdat het heel dichtbij komt op zo’n moment. Het verdriet van mijn moeder, het gevecht van mijn vader en de vragen waar ik zelf mee heb rondgelopen. Om op die vragen eens een antwoord te krijgen zal ik toch eens een afspraak maken bij mijn huisarts, zeker nu ik de cruciale leeftijd zo langzamerhand nader.

 

Ken je die van die gast die naar Andalusië gaat?

Eindelijk weer eens op vakantie. Mijn laatste vakantiereis was heel lang geleden. Mijn trektocht van drie maanden door de Verenigde Staten is al twintig jaar oude geschiedenis. Daarna zijn mijn vakanties opgegaan aan korte tripjes en aan de tennistoernooien in Duitsland, Zwitserland, België en Nederland om aan te schuiven bij de pers als tennisjournalist. Dus werd het wel weer eens tijd voor een echte vakantie. 

Pindakaas, muntendrop en vissermans vrienden. De voorpret is al leuk; de route uitstippelen, hostels zoeken voor onderweg en een weerzien met mijn neef Erik in Andalusië. Gelijk maar even gevraagd of hij nog wat wilde hebben uit Nederland. Dus vier potten pindakaas, vier zakken muntdrop en 12 zakjes Fisherman’s Friend aangeschaft. Nederlanders in het buitenland verlangen altijd naar Nederlandse lekkernijen, zo weet ik uit ervaring. Ondanks dat er zesendertig soorten chips in de Schotse supermarkten liggen bleef ik smachten naar de enige echte paprika chips van Smiths. Geen zin in zout met azijn, tomaat, garnalen of andere muffe chipssmaken.

Het plan: Eerst naar Verdun voor, hoe zeg je dat ook maar weer in tenenkrommend slecht Nederlands zoals je vaak hoort, ‘een stukje veldslagbeleving naar de mensen toe’. Volgend jaar is het honderd jaar geleden dat de Grote Oorlog uitbrak, en er zal een hausse aan Eerste Wereldoorlog herdenkingen over ons heen komen. Ik ben voorbereid na het eerdere bezoek aan de slagvelden rond Ieper en nu dus mijn verkenning van Verdun.

Muziekgeschiedenis

Na Verdun richting Soissons, of eigenlijk het naburige dorp Pommiers, waar ik een tijd heb doorgebracht om veel te oefenen met Eric Baeckeroot om met onze muziek de winkelstraten van Frankrijk wat vrolijker te maken. Ik kan Eric nergens vinden op het internet dus gewoon maar langs bij het oude adres, wie weet wat ik daar aantref.

Van Pommiers rijdt ik dan naar Saint Jean de Luz en San Sebastian in respectievelijk Frans en Spaans Baskenland. We hebben daar veel tijd doorgebracht met ons muziektrio ‘Wait Wait Wait’. Onze parodie op ‘Wet Wet Wet’ omdat er altijd wel op iemand gewacht moest worden. Het lijkt mij een goed plan om ter inspiratie op die plekken te schrijven aan mijn boek over mijn avonturen met Eric en Bart.

Na het herbeleven van mijn muziekgeschiedenis in Pay Basque verder naar Andalusië. Daar woont mijn neef Erik met zijn gezin. We hebben een tijd geleden al afgesproken dat ik daar eens langs te ga. Ik heb er geweldig veel zin in. Het moet er geweldig mooi zijn, en ik heb al gezien dat er veel oude cultuur te bewonderen is. De voorpret is begonnen.

Onderweg

Ik vraag Tom² of ik een tolwegvrije route kan rijden. Gewoon om te genieten van het Franse landschap, de dorpen en de weidse vergezichten zonder het geraas van snelverkeer. Tom² stelt me niet teleur en in het zuiden van België richting Luxemburg word ik direct het bos in gestuurd. Mooie bospaden, veel bochten, klimmen en dalen met af en toe een mooi vergezicht. Ik geniet van de natuur om me heen en dankzij mijn iPod krijg ik onderweg een traktatie van alles wat mijn oren dierbaar is.

Ik hoor Bowie, Bach, Zappa, Queens of the Stone Age, Ozark Henry, de dub van I Roy en de punk van SNFU. Het hele pallet aan mooie muziek komt langs met af en toe een onderbreking door opnames van Radio XFM, het radiostation waar Ricky Gervais, Stephen Merchant en Karl Pilkington hilarische programma’s gemaakt hebben. Het is een feest onderweg, de vakantie is goed op weg.

In de buurt van Verdun ga ik op zoek naar een hostel, helaas gaat dat pas uren later open. Dus dan maar naar Verdun gereden om daar een slaapplaats te zoeken. Die is gauw gevonden met die handige Tom², typ ‘Hotel’ en een keur aan mogelijkheden komt tevoorschijn. Ik beland in het F1 Hotel. Een fijne grote kamer, met een groot bed en een raam dat helemaal open kan. Ik hoef niet bang te zijn voor claustrofobische aanvallen, dat scheelt. Ik heb ook andere ervaringen; als single reiziger word je soms in een vergrote bezemkast gestopt. Als ze het bed rechtop konden zetten zouden ze het doen.

Even opgefrist na de autorit en dan eens kijken wat de plaatselijke VVV mij kan bieden. De dame geeft mij een kaartje met bezienswaardigheden en ik weet wat ik te doen heb de volgende dag. Forten, slagvelden, museum en het grootste knekelhuis van Frankrijk bezoeken. Geschiedenis is vaak niet echt heel gezellig maar wel interessant en vooral indrukwekkend.

Voordat er wat beweging is in de restaurants van Verdun zit ik aan de Maas in het centrum van Verdun. En dan overvalt het me. ‘Wat ben ik in godsnaam aan het doen hier?’, vraag ik me volgens mij hardop af. Ik merk dat ik het vervelend vind om hier in mijn uppie te zitten. Mag goed ik zet de gedachte uit mijn hoofd en zodra de restaurants hun terrassen gaan voorzien van bestek zoek ik een terras uit. Ik plof neer op een terras en kijk of ze een fijn witbier hebben. Jawel, men serveert het Belgische Silly witbier. Heerlijk.

Tijdens het eten van mijn medium paardenbiefstuk tartaar met daarop een gebakken ei geflankeerd door heerlijke huisgemaakte frietjes komt de gedachte weer omhoog. “Is dit wel leuk? Kan ik hier van genieten, twee weken in mijn uppie in restaurants en op terrassen biertjes drinken en domweg voer naar binnen werken?” Het eten is heerlijk maar om het in mijn eentje te eten staat me tegen. Als ik even rondkijk zie ik families, echtparen en groepjes vrienden. Ik pak er maar een boek bij om mijn gedachten te verzetten. Niets is zo vervelend als eten met een boek in je hand, om wat om handen te hebben. Tenminste dat voelt zo.

Eten, en vooral de avonddis met vlees en groente, is een sociaal gebeuren. Zelfs primaten komen bij elkaar zitten als de hoofdmaaltijd gegeten wordt. Het is onnatuurlijk om in je eentje te eten. Thuis ben ik eraan gewend en kan ik gewoon andere dingen doen zoals tv kijken, iets op de computer kijken of ik tik onderwijl een stukje. Het eten op het terras staat me tegen, al is het wel gewoon heel lekker. Ik voel eenzaamheid.

De oorlog in Verdun, de oorlog in mijn hoofd

Ik ben moe en ga richting het hotel. Ik leg de wifi-verbinding voor mijn laptop en mijn telefoon en controleer even mijn post en andere zaken. Ik luisterde nog even naar Radio 1. But sleep came like a frigid housewife, zoals Kinky Friedman het ooit verwoorde. Of eigenlijk val ik helemaal niet in slaap, totdat op een gegeven moment de paniek toeslaat. Een beklemmend gevoel dat me naar de strot grijpt. Ik moet eruit, ik trek mijn kleren weer aan en ga buiten een luchtje scheppen. Waar de paniek vandaan komt ik weet het niet. Ik zeg tegen mezelf: “ik ben toch niet gek aan het worden, ik heb toch een heimwee of iets dergelijks?” Ik weet niet wat ik voel, maar het voelt niet goed.

Na een tijdje buiten gezeten te hebben probeer ik weer te slapen. Maar zodra ik lig komt het gevoel weer terug. Ik bedenkt dat ik hier helemaal geen zin in heb. Ik ben het zat. Wat zou ik nou twee weken in mijn eentje in hotelkamers liggen te vechten tegen de eenzaamheid? Ik kleed me weer aan en pak de weekendbijlage van de Volkskrant en het Magazine en ga weer naar buiten. Gelukkig is het niet koud buiten, het geeft wel enige rust en afleiding. “Ik zal toch geen heimwee hebben”, denk ik nog een keer. Nou ja dat zien we morgen wel.

Uiteindelijk zit ik tot 05.00 uur buiten, dan ga ik maar weer eens naar binnen en ga met mijn kleren aan op bed liggen in de hoop dat ik uiteindelijk toch in slaap val. Ik luister nog wat naar muziek om mijn gedachten af te leiden. Na een tijdje word ik wakker, ik zie dat het zeven uur is. Ik heb mijn kleren nog aan en lig boven op mijn bed. Als het zo de hele vakantie moet heb ik er nu al genoeg van. Eerst maar eens een ontbijtje en de bezienswaardigheden bekijken in en om Verdun.

DSC_0043Ik kom tot de conclusie dat mijn paniekaanval niets te maken heeft met heimwee of reisangst zoals bij die Utrechtse schrijver Ingmar Heytze die de Domstad niet durfde te verlaten. Er vanuit gaande dat je bij heimwee zo snel mogelijk naar huis wil uiteraard, en ik wil niet zo snel mogelijk naar huis. Eerst wilde ik nog de Eerste Wereldoorlog toerist uithangen, gewoon om te relativeren wat voor onzinproblemen ik in mijn hoofd heb. Wat die jongens rond Verdun meemaakte honderd jaar geleden is onvoorstelbaar. Je ziet de beelden, de plaatjes, je ziet het landschap, de stille getuigen. Het is overweldigend. Maar ik heb geloof ik al besloten dat ik niet meer in mijn eentje de reis wil afmaken.

Op zoek naar Eric

Na Verdun is de volgende halte Pommiers. Dat is zo’n 180 kilometer verderop en geeft mij gelukkig het geruststellende gevoel dat ik geen reisangst of heimwee heb. Even kijken of mijn vroegere muziekmaatje Eric nog op dat adres woont. En na 180 kilometer kom ik bij Soissons, ik vind het spannend worden om weer naar die plaats te gaan waar ik veel goeie herinneringen aan heb.

DSC_0125Het met bloemetjesbehang behangen tuinhuis van Eric, het grote witte huis van Eric’s vader dat helemaal leeg stond met als enige geluid de scanner van de brandweer waar Pa Baeckeroot iets mee had. Het geweldig leuke bezoek samen met Kirsten, Birgitta en Bart in de camper van pa en ma. Het opnemen van de cassette met Bart en Eric in de kelder. Mooie herinneringen die ik nog altijd met me meedraag.

Dan rij ik het dorp Pommiers binnen.Het komt vaag bekend voor, daar de kerk, het bakkertje lijkt te zijn verdwenen. De rotonde en dan linksaf totdat aan mijn rechterhand het grote witte huis zichtbaar wordt. Er is wat aan de tuin gedaan, er staat een groot groen hek en het tuinhuis van Eric is opgeruimd, weg, verdwenen. Tot mijn grote plezier staat de naam Baeckeroot nog op de brievenbus. Geen voorletter, geen idee of het de brievenbus van Eric is of van zijn vader. Er woont ook iemand anders op het perceel. In de tuin staan wat heggen met daarachter misschien nog een huisje. Dat is niet zichtbaar. Ik schrijf dat ik langs ben geweest, dat ik even wat ga drinken in Soissons en dat ik over een paar uur nog eens terug kom. Zo gezegd, zo gedaan.

In Soissons dat mij ook bekend voorkomt omdat we daar regelmatig wat gingen kopen ga ik een biertje drinken. Ook hier hebben ze lekker witbier van het Franse merk 1664. En terwijl ik hier zit krijg ik een flashback dat we hier ook gezeten hebben met Kirsten, Birgitta, Bart, Eric en Isabelle. Of neemt het geheugen een loopje met me? En weer voel ik het onbehagen van het alleen zijn, van in mijn eentje wat drinken op een terras. Hoe het ook zij, tijd om terug te gaan naar Pommiers om te zien of er iemand is aan wie ik kan vragen waar Eric gebleven is.

Postbus Baekeroot in PommiersAangekomen bij het huis van de familie Baeckeroot tref ik wederom niemand. Ik bel mijn moeder dat ik naar huis ga omdat ik het helemaal niet naar mijn zin heb in mijn eentje onderweg. Ook moet ik denken aan andere momenten dat ik naar huis ging als ik het ergens niet naar mijn zin had. Dat begon op de kleuterschool al, had Etienne het niet naar zijn zin dan liep hij gewoon naar huis. Op de kleuterschool, in kroegen waar ze Hazes draaien, het maakt niet uit. Als ik het niet naar mijn zin heb ga ik weg, naar huis. Na nog even, ook namens Bart, een groet geschreven te hebben en deze in de brievenbus te hebben gestopt stap ik in de auto en druk ik op mijn Tom² op ‘Thuis’.